Logo

 Limburg in beeld 19 januari 1928

 

 


 Daar was b.v. de vrouwenfiguur „Mieke Tip Tip"
Haar familienaam was Maria Schreurs.Zij bewoonde in de Maria-Gardestraat 'n bouwvallig krotje; als het oudje 't in der hoofd kreeg bij mooi weer 'n wandeling te maken door de straten der stad, trok ze haar beste plunje aan, veelal van potsierlijke aard en kleur, en, met een vreemdsoortig reticule aan de hand, huppelde  of tippelde ze met aanvallig en jeugdig gebaar daarheen, alsof ze nog midden in haar lente-jaren was. Deze manier van zich voortbewegen bezorgde haar bovenstaande naam. Met zindelijkheid of hygiëne in huis nam ze 't niet erg serieus op. De straatburen geheugden zich niet wanneer Mieke voor 't laatst den vloer en het interieur had schoongeveegd. Dit aanslibben liep tenslotte zoo hoog , dat de politie geboden werd daaromtrent in te grijpen, en de booze gemeente beweerde destijds dat de schop over den steenen vloer moest gehanteerd worden, wilde men uitmaken of er steen of hout onder het geaccidenteerd terrein zat, terwijl enkele povere schilderijtjes aan den wand moesten gespeurd worden achter een kantwerk van spinneweb. Ten overvloede legde de politie op een groot aantal honden en katten van allerhand soort en ouderdom beslag, met welk vee „Mieke jaren lang de „traute Heimat" had gedeeld. „Mieke Tip Tip" werd daarna zorgvuldig gereinigd en gedesinfecteerd, en naar het hospitaal getransporteerd, onder groote belangstelling harer trouw en dierbare buren.  
_______________

Piet Liesemans.Zoo was ook zijn familienaam.    
De man was in zijn jonge jaren wever geweest in een der
destijds te Roermond bestaande weverijen en raakte
in zijn ouden dag min of meer behoeftig.
De straatjeugd spotte gaarne met hem, omdat hij
weinig of geen antwoord gaf en daarbij stamelde.
Toch was hij nieuwsgierig genoeg en gaarne er bij
waar iets gebeurde. Bijzonderheden zijn niet van hem
te vertellen, dronk gaarne 'n borrel en was nu eenmaal,
als hij met zijn waggelenden gang door de straat liep,
het mikpunt der lieve schooljeugd. 
_______________

 

Corrètje: Dit oude vrouwtje begaf zich
iederen dag de stad in en ontving niet
alleen, zoals alle andere behoeftige
menschen, een bete broods, maar nam
in harer korf ook alles mee, wat maar
voor 't een of ander doel kon gebruikt
worden. Men vond bij haar dood dan ook 
een heele voorraad zaken, waar ze zelf
nooit iets van gebruikt had, maar die ze
daarom toch ook niet aan anderen af-
stond. Ze ging er trotsch op te kunnen
aanwijzen, wat deze of die gooi juffrouw
haar had geschonken.
 
         _______________



Nog was de Maria-Garde-straat een paar veel
besproken typen rijk, die een echtpaar vormden.
Het waren Jan Lafleur met zijn levensgezellin Mina.
Beiden bij het volk ( met respect ) te boek stonden
als Schèèl Jantje wegens verkeerden stand der ogen, en „Mina Goldjbloom". De echtgenoote stamde uit eene familie, die jaren in de stad werd betiteld met „Goldjbloom".
Jantje, een goedaardig kereltje zonder boosaardigen aanleg, werd maar alleen ietwat bespraakt, als hij er, om in hunner termen te blijven „einen op had", wat nog al eens plaats vond, als hij bij 't station succes had met pakjes dragen, of als een of andere snaak , die hem zoo gaarne zwaaiend en wankelend naar Mina zag „dazelen", hem wat overvloedig van de Schiedamsche producten had laten genieten. Mina, overigens een pootige, maar „gooi bluts van 'n vrouw", nam haren Jan dit „sjikkertje" zelden of nooit euvel, maar had in diens potsierlijke sprongen en beengezwaai en gezang meestal echt pret, en voegde Jan dan met een krakende lach toe:
„Jan, ich gluif des toe weer op ein gooi wei bös gewèès !  " Beide brave , goede lobbesen zijn echter ook, evenals alle vorigen, reeds lang ter ziele. Ook zij waren beleefde, eerlijke en vooral  gedienstige typen, alle veelbesproken, maar volstrekt geen
gevaarlijke beelden uit Roermonds verleden en    
het Roermonsche stadsleven.   

     
                                                                                              








       

  

Niet ver uit de buurt woonde ook eene mannelijk figuur, die lange jaren te Roermond nog al een gewild en populair persoon was. Zijn volksnaam was Kobus Kaka, ook wel Kobus Kakke (familie-naam Jacobus Mulders). De man liep mank, had daarbij één lammen arm, en stond bekend voor een buitengewoon eter. Zijn beroep bepaalde zich in hoofdzaak tot het doen van boodschappen voor iedereen  die er maar een dubbeltje of een stuk kleeren voor wilde kwijt zijn, terwijl hij daarenboven steeds trouw op zijn post was aan 't station. Beleefd en gedienstig als Kobus was, had hij ook voor klein en groot altijd een vriendelijk  woord over, en hij stelde iedereen, die het weten wilde  gaarne op de hoogte van Roermonsche nieuwtjes. Een alleraardigst staaltje hoorden wij daar eens van vertellen.Enkele jaren geleden kwam de Overste van een Kostschool uit de buurt, zijn collega van een Roermonsche Kostschool een bezoek brengen. Of dat bezoek niet heel-en-al volgens de letter van de daarvoor geldende regelen plaats vond, misschien een slippertje was, weten we niet. Bij den uitgang der stations-vestibule kreeg de Overste den gewonen vriendelijke groet van Kobus Kakke, met de welwillende boodschap erbij, dat de Algemeene Overste der Congregatie een uur te voren ook was aangekomen. De Overste dankte Kobus schijnbaar onverschillig, doch innerlijk met warm kloppend hart en nam vlug een gereedstaande trein naar honk terug. Waarvoor Kobus Kakke bij een spoedig volgend bezoek dubbel royaal werd onthaald. In 't kort, Kobus Kakke behoorde bij uitzondering tot de graag geziene en vaak begunstigde typen.     
                              _______________ 

   

       
     


        
             

    



 


    

Powered by LogX